in

Jaques Le Gen: De oudjes business

Arthur-Danto-2003
Gustaf is 86 jaar. Maar hij is al twee jaar dood. Hij is natuurlijk niet echt twee jaar dood, maar de kwaliteit van zijn leven is verwaarloosbaar. Gustaf heeft twee jaar geleden een herseninfarct gehad. Hij woonde tot die tijd alleen. Zijn vrouw was al een aantal jaar ervoor door kanker overleden. Zijn dochter was door een auto-ongeluk om het leven gekomen en zijn zoon, Martin, komt hem zo nu en dan opzoeken.

Ik schreef: ‘hij woonde tot die tijd alleen’, maar hij woont nog steeds alleen. Al kan hij niets meer zonder de hulp van anderen. Eten, drinken, wassen, naar het toilet gaan, lopen, opstaan, naar bed gaan. Overal heeft hij hulp bij nodig. Gustaf mag zich tegenwoordig verheugen op vijf bezoekjes per dag van de thuiszorg. Die vijf bezoekjes duren bij elkaar opgeteld 3 uur. Dus van de 24 uur per dag, moet hij er 21 alleen doorbrengen, terwijl hij zich niet kan bewegen zonder hulp van anderen. Die 21 uur brengt hij dus door in bed en/of in een stoel. Plaats in een verzorgingshuis (bejaardentehuis) is er niet. Of nou ja, is er wel, maar alleen als de noodzaak zeer hoog is of als je veel centjes hebt die je graag kwijt wilt aan zo’n instelling. Anders: wachtlijst.
Gustaf was een imposante man. Zelfs op het moment dat hij zijn beroerte had was hij dat nog. Je zou hem toentertijd wellicht achter in de zestig geschat hebben, maar als men hoorde dat hij al dik in de tachtig was, waren ze zeer verrast. Ik denk dat het voor een groot deel kwam doordat hij tot op die hoge leeftijd zeer actief was. Hij was altijd in de weer. Ik ken Gustaf, omdat hij een kennis van mijn opa is. Toen ik hem, samen met mijn opa, op een dag ging bezoeken (ik denk zo’n 2 maanden na zijn beroerte) schrok ik van hem. Hij was van een imposante man veranderd in een oude man. Hij kon niet goed praten. Ik merkte dat hij, ondanks de moeite die hij met alles had, nog wel heel helder was. Ik kon aan zijn ogen en aan zijn lichaamstaal zien wat hij wilde, hoe hij zich voelde. Tijdens dat bezoekje aan hem, kwam er ook een thuiszorgmedewerkster langs.
Als ik denk aan de zorg, denk ik aan mensen-mensen. Ik denk aan mensen met een hart. Mensen met een hoge emotionele intelligentie. Mensen die begaan zijn met het lot van mensen die hulp behoeven. Maar de thuiszorgmedewerkster van Gustaf was niets dat daar op leek. Een draak van een vrouw die totaal geen emotie leek te hebben. Een beetje een type zoals de huishoudster Berta uit two and a half men, maar dan zonder hart en zonder humor.
Capture
‘s Avonds in bed kreeg ik de beelden van die dag niet uit mijn hoofd. Was dit wat hem restte? Iedere dag die heks op bezoek. En daar dan nog afhankelijk van zijn ook? Ik besloot de volgende dag Martin te bellen en een afspraak met hem te maken. Ik vertelde hem mijn observaties en de gevoelens die ik erbij had. Ik zei hem dat ik Gustaf al mijn hele leven kende en dat ik, indien mogelijk, wilde helpen. Met wat dan ook. Hij zei dat hij mijn aanbod zeer menselijk vond en dat hij er zeker gebruik van wilde maken. Hij zei dat hij met Gustaf zou praten en me op korte termijn zou laten weten of ik iets voor ze kon betekenen. Een week later belde Martin mij op. Ik kon, als ik wilde, een contract krijgen bij de thuiszorginstelling, waarvan Gustaf hulp ontving. Ik zou dan de avond- en weekendbezoeken kunnen doen (ik had gewoon een fulltime kantoorbaan, dus overdag was geen optie) En zo begon ik begin 2013 voor Gustaf te zorgen.

Gustaf wil eigenlijk niet meer leven. Hij is moe. Moe van afhankelijk zijn. Moe van frustraties over het niets zelf kunnen. Moe van de herinnering aan zijn imposante schaduw, die steeds meer vervaagt. Maar hij is vooral moe van de zorg. De zorg, die je geen zorg kunt noemen. Drie uurtjes op een dag. En de thuiswerksters die overdag komen, hebben altijd haast, want de volgende klant wacht. De tijdschema’s waarmee ze werken laten geen ruimte voor onvoorziene omstandigheden. Dus als je in broek hebt gescheten en je moet verschoond worden, dan gaat dat ten koste van je lunch. Rustig even ALLEEN op het toilet zitten is er niet bij. De thuiszorgsmedewerkster staat naast je met een stopwatch. Op uw plaatsen, klaar, af. Ben je al klaar, Gustaf? Al klaar? Ik heb nog niet eens één keer geperst!

De thuiszorginstanties worden betaald door de gemeentes, maar de gemeentes willen geen cent teveel uitgeven aan die oudjes. En natuurlijk moeten de thuiszorginstanties zelf ook nog winst maken. It’s business. Winst om de vorstelijke salarissen van de directeuren te betalen. De thuiszorg is uitgekleed. In de afgelopen jaren is er steeds meer vet afgesneden van het eens zo imposante lichaam van de thuiszorg. Wat er nu over is? Precies genoeg om te blijven ademen. Net zoals bij Gustaf.